In de komende blogs worden repectievelijke folio's uit het Luikse wezenregister geanalyseerd. We starten met de folio die betrekking heeft op stamouders Elisabeth (achternaam onbekend) en Theodorus de Rocourt. De akte is gedateerd op 6 juli 1583 en met referentie: volume 70 folio 9 verso.
De transcriptie met het programma van Transkribus met lichte aanpassingen (achternaam) is alsvolgt:
adem die
Dedimus Theodrico
etatis trium annorum aut
arciter filio q
Theodrici de Rocourt calcificis
oppidi hassellen
et Elyzabethe superstitis coniugum
du ipse Theoꝰ vineret timorum eandem
matrem absentem
necnon Lambertum de
Rocourt patrum et
Jacobum de Brabantia sororum
dicti q Theodrici
patris putes etc qui jurarunt
comittentes et reption juramenti quo ed matrem
absen Commissaris Hassellen etc.
Met Google translate krijgen we de volgende vertaling:
Op dezelfde dag verleenden wij [rechten] aan Theodoric – ongeveer drie jaar oud –, zoon van wijlen Theodoric de Rocourt (kalkbrander in de stad Hasselt) en diens weduwe Elizabeth. De genoemde Theodoric had bij leven zijn moeder (die afwezig was) als voogdes aangewezen, evenals Lambert de Rocourt (de broer van zijn vader) en Jacobus de Brabant (de echtgenoot van zijn vaders zuster, zwager); zij legden ten overstaan van de commissarissen van Hasselt enz. de ambts- en aanvaardingseed af met betrekking tot de afwezige moeder.
Deze akte uit het Luikse wezenregister bevat dus veel genealogische informatie.
(1) Stamvader Theodorus de Rocourt was kalkbrander te Hasselt (en geen schoenmaker zoals eerder verondersteld). In de 16e eeuw was calcificis de officiële Latijnse term die in schepenakten en kerkregisters in het Prinsbisdom Luik (waar Hasselt toen onder viel) werd gebruikt voor een kalkbrander of kalkmeester.
- De ambachtsman: Een calcifex (Latijn voor kalkmaker/kalkbrander) was verantwoordelijk voor het omzetten van ruwe kalksteen (vaak via de Maas aangevoerd uit de regio Luik of Namen) naar bruikbare ongebluste kalk.
- Kalk als cruciale grondstof: In de 16e eeuw beleefde het Belgische Hasselt een periode van stedelijke ontwikkeling. Kalk was onmisbaar voor de lokale bouw: het werd gemengd met zand en water om de mortel (metselspecie) te maken voor de stenen huizen, stadsomwallingen en kerken (zoals de Sint-Quintinus kathedraal).
Hoewel er geen intacte bovengrondse monumenten van zijn overgebleven zoals in Nederland, was de locatie van dit ambacht in Hasselt destijds gebonden aan strikte logistieke en veiligheidsregels: Buiten de eerste stadsomwalling of nabij de waterpoorten: Kalkovens waren extreem brandgevaarlijk door de constante hoge temperaturen en de opslag van brandhout of houtskool. Ze lagen daarom bijna altijd aan de rand van de stad of net daarbuiten. Aanvoer via de Demer: De ruwe kalksteen werd via het water (de rivier de Demer en de stadsgrachten) Hasselt binnengebracht. De ovens stonden dan ook strategisch opgesteld nabij de waterwegen om zware transporten over land te minimaliseren.
(2) Theodorus was gehuwd met Elisabeth, waarvan de achternaam helaas ontbreekt. Haar zoon Theodorus was 3 jaar en dus rond 1580 geboren. Hij is later getrouwd en heeft minimaal 2 kinderen in Hasselt gekregen met zijn vrouw Anna Stas. Dierick van Rockourt is verhuisd naar Halen en na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwd met Maria Claes.
(3) Vader Theodorus had een zus die getrouwd was met Jacobus de Brabant. Tevens had hij een broer: Lambertus de Rocourt. Jacobus en Lambertus zijn samen met de moeder als voogden van Dierick aangesteld.
